Hoeveel speling onder de brug?

Op onze “Doe mee en win” van vorige maand kwamen zoals altijd veel antwoorden binnen. Maar dit keer zat ruim de helft van de inzenders ernaast. Daarom lichten wij de rekensom, die je voor het Klein Vaarbewijs 1 moet kennen, nog eens extra toe. 

Dit was de vraag bij onze vorige “Doe mee en win”: Je nadert een beweegbare brug die niet bediend wordt. Op de waterkaart staat dat de brug in gesloten toestand 3,90 m is. De kruiphoogte van je schip is 3,00 m. Het kanaalpeil (KP) is NAP – 4. De peilschaal naast de brug geeft aan dat de werkelijke waterstand NAP – 2 is. 

Hoeveel speling heb je onder de brug?
a. 0,70 m
b. 1,10 m
c. 1,30 m 

Het goede antwoord is a. 0,70 m.  

Toelichting: De boot heeft een vaste kruiphoogte, in ons geval 3,00 m. De waterkaart geeft voor de brughoogte een vaste waarde ten opzichte van het ‘reductievlak’. Het reductievlak op niet-getijdenwater wordt bepaald door het NAP (Normaal Amsterdams Peil). De hoogte van deze brug is gesteld op 3,90 m volgens NAP. Een verschil dus van 0,90 m. 
Het kanaalpeil (KP), ook wel streefpeil genoemd, wordt bepaald door het lokale waterbeheer en kan afwijken van NAP door te bemalen of te schutten. In dit geval is het KP gelijk aan NAP -4 (decimeter), dus 0,90 – 0,40 = 0,50 m.  

Hier lezen we echter op de peilschaal naast de brug dat het wérkelijke kanaalpeil niet – 4 is, maar – 2. Dit kan komen door opwaaiing of doordat het waterpeil in de zomer tijdelijk extra verhoogd is. De rekensom is nu dus 0,90 – 0,20 = 0,70 m. Met andere woorden: je hebt 70 cm speling om onder de brug door te komen.  

De stelregel is: NAP + of – KP – kruiphoogte = doorvaarhoogte. 

Wil je meer oefenen met brughoogtes of waterdieptes? Doe dan de Examentraining Klein Vaarbewijs 1. Ook als je al je vaarbewijs hebt is het een leuke manier om je kennis up-to-date te houden.